In plaats van te vertrouwen op veronderstellingen of oppervlakkige observaties, vereist het identificeren van inefficiënties in een productieproces voor vochtige doekjes een systematische, datagestuurde aanpak. Het vaststellen van precieze prestatiebenchmarks – wat de productielijn zou moeten bereiken op het gebied van snelheid, productie en kwaliteit onder stabiele omstandigheden – is de eerste stap. Het vinden van tekortkomingen wordt lastig zonder een duidelijke basislijn. Nadat de benchmarks zijn vastgesteld, is het eenvoudig om te bepalen of er inefficiënties bestaan en waar deze het meest merkbaar zijn door de werkelijke prestaties te vergelijken met deze doelen.
Overall Equipment Effectiveness (OEE), dat prestaties opdeelt in drie kwantificeerbare componenten: beschikbaarheid, prestaties en kwaliteit, is een cruciaal instrument in dit proces. Fabrikanten kunnen bepalen of verliezen te wijten zijn aan productdefecten, lagere snelheid of stilstand door deze variabelen onafhankelijk van elkaar te onderzoeken. Zo is snelheidsinstabiliteit waarschijnlijk de oorzaak van een productielijn met een hoge beschikbaarheid maar slechte prestaties, terwijl procesinconsistentie wordt aangegeven door hoge prestaties maar een lage kwaliteit. Deze methodische analyse transformeert een vaag "efficiëntieprobleem" in precieze en bruikbare inzichten.
Fysieke lijncontroles zijn cruciaal voor het opsporen van verborgen inefficiënties die met alleen data mogelijk over het hoofd worden gezien. Dit houdt in dat de materiaalstroom, het contact met de operator en het machinegedrag in realtime worden gemonitord. Problemen zoals onnodige handmatige aanpassingen, een slecht ontworpen werkstation of kleine maar frequente storingen komen vaak pas aan het licht tijdens een inspectie ter plaatse. Een compleet beeld van zowel technische als operationele inefficiënties kan worden verkregen door deze observaties te combineren met machinegegevens, zoals foutenlogboeken, cyclustijden en stilstandregistraties.
Ten slotte hangt systeemwijde optimalisatie af van het identificeren van knelpunten. Omdat een productielijn functioneert als een onderling verbonden systeem, wordt de output bepaald door de traagste of minst stabiele sector. Fabrikanten kunnen gebieden met beperkte of instabiele doorstroming identificeren door elke stap te onderzoeken, inclusief vouwen, snijden, doseren, verpakken en stapelen. De efficiëntie van de hele lijn neemt toe nadat het knelpunt is weggenomen. Daarom richt een uitgebreide diagnose zich op het optimaliseren van het gehele productiesysteem, zodat het soepel, consistent en op maximale capaciteit draait, in plaats van op het oplossen van specifieke problemen.